De mythe van de farizeïsche veganist

door Titus Rivas

‘De veganist ging er eens voor staan en bad voor zichzelf aldus:
“Oh God, ik zeg u dank, dat ik niet ben als de andere mensen; scharrelvleeseters, semi-veggers, vegetariërs, of ook als die omnivoor.” ’
(vrij naar het evangelie volgens Lukas, hoofdstuk 18, vers 11).  

Sommige tegenstanders van veganisme beweren dat vegetariërs in het algemeen en veganisten in het bijzonder zichzelf als 'beter' zien dan omnivoren. We zouden al of niet vanuit een minderwaardigheidscomplex de behoefte voelen om neer te kijken op de rest van de wereld. Dit zou ons eigenlijke motief zijn om ons te willen onthouden van alle dierlijke producten. Vormt dit misschien echt de ultieme kern van onze beweegredenen? Ik stel hier dus niet de vraag of we als (ethische) veganisten arrogant overkomen, maar of we op de eerste plaats veganist zijn om beter te zijn dan anderen.
 


Intenties

Allereerst moeten we weten wat we precies onder 'beter' verstaan in dit verband. Het gaat niet om beter in de zin van ‘Jean speelt beter viool dan Corina’. Viool spelen heeft immers te maken met een esthetische bekwaamheid die hier duidelijk niet aan de orde is. Ook draait het niet om beter in de zin van 'beter op de hoogte' of 'beter in staat zichzelf gezond te voeden.' Met beter bedoelen we in deze context uitsluitend moreel beter, dus integerder of voortreffelijker in de ethische zin. Dat maakt dat het ook alleen betrekking kan hebben op mensen die om ethische motieven veganistisch leven. Zonder ethische intentie kun je bij voorbaat al niet in aanmerking komen voor de kwalificatie ‘beter’ in deze betekenis. Als dat wel zo was, zou een herbivoor dier beter zijn dan een carnivoor en ik denk niet dat iemand daar serieus van uitgaat. We kunnen een vreedzame planteneter prefereren boven een bloeddorstig roofdier maar dat betekent nog niet dat we ze een andere morele status kunnen toekennen. Planteneter noch vleeseter heeft ook maar enige keus en zolang dat niet het geval is, heeft het geen enkele zin om hun gedrag te beoordelen aan de hand van morele maatstaven. Om iemand beter te noemen is het dus echt nodig dat hij of zij net zo goed slechter zou kunnen zijn dan iemand anders. Dat geldt wat betreft consumptief gedrag betreft op deze planeet voor zover ik weet alleen voor menselijke dieren. Er is dus naar alle waarschijnlijkheid maar één diersoort op aarde die in dit verband in aanmerking komt voor de titel 'goed' en vandaaruit ook voor een vergelijking met anderen, namelijk de mens.

Competitie en prestaties

Nu kunnen mensen gemotiveerd zijn om elkaar op allerlei gebieden de loef af te steken. De menselijke competitie strekt zich uit over zulke diverse zaken als intellectuele prestaties, culturele hoogstandjes, gastronomie, moppentappen, liefdeskunst, sport en ambachtelijke tradities. Liberalen gaan er expliciet vanuit dat de competitieve drang, hoe onvriendelijk hij ook over kan komen, uiteindelijk iedereen tot heil strekt. De besten zouden op deze manier boven komen drijven in de maatschappij, wat alleen maar ten goede komt aan de kwaliteit van ieders leven. Het probleem bij deze competitieve in plaats van coöperatieve instelling is natuurlijk dat er naast winners ook altijd losers moeten zijn. Hun positie is een logische consequentie als mensen elkaar bestrijden in plaats van ieders kwaliteit naar waarde te schatten en te trachten met elkaar te harmoniëren. ‘Loser’ is een frappant Nederlands scheldwoord geworden dat de harde tijdgeest goed samenvat.

Bij alle prestaties geldt dat het om beter te presteren niet uitmaakt of je ook bekwamer wil zijn dan een ander. Iemand kan beter zijn in zijn wiskundige activiteiten dan een ander zonder maar de minste interesse te hebben om die ander te overtroeven. Maar iemand kan ook beter presteren dan een ander omdat hij ernaar streeft beter te zijn, dus vanuit een specifiek competitief motief. Er kan dus zowel sprake zijn van een intrinsieke liefde voor de activiteit zelf als van de wens om van anderen te 'winnen'. Zonder de intrinsieke motivatie om zichzelf op een bepaald gebied te verwerkelijken is het trouwens bijna onmogelijk dat iemand steeds weer beter presteert dan een ander. Daarom kiezen sterk competitief ingestelde mensen normaal gesproken voor dingen die hen ook echt als zodanig, intrinsiek boeien om juist daarin uit te blinken ten koste van anderen.
Het hoeft daarbij niet te gaan om een aangeboren talent (iemand die matig is in wiskunde kan dat opvatten als een uitdaging omdat hij het vak zelf toch leuk vindt), maar in ieder geval wel om een intrinsieke interesse.  

Als het bij ethische veganisten echt om een competitief motief gaat om beter te zijn dan anderen, dan zullen ze het binnen dit model meestal ‘leuk’ vinden om zichzelf voedings- en andere beperkingen op te leggen. Ze zouden daar domweg gemotiveerder in zijn dan anderen en daarom juist hierin de strijd met anderen aanbinden. Dat zou op zich nog niet onsympathieker hoeven zijn dan andere vormen van competitie. Ware het niet dat veganisten zichzelf als moreel hoogstaander zouden profileren dan alle overige mensen. Terwijl morele voortreffelijkheid terecht gezien wordt als een soort transcendente kwaliteit. Het ronduit arrogante zou hem dus daarin zitten dat veganisten zich boven iedereen verheven willen voelen.  

Hypocrisie 

Laten we eens kijken of het echt zo werkt. De twee motieven die zoals ik heb aangegeven bij prestaties een rol kunnen spelen, een intrinsiek motief van zelfrealisatie en een sociaal motief van competitie, zou je allebei ook kunnen verwachten bij morele goedheid. Dit is echter niet terecht. Morele goedheid draait allereerst om een motief dat zelf juist haaks staat op het presteren ten koste van anderen. Het is daarmee in strijd met de hele geest van competitie. Sterker nog, als iemand primair de intentie heeft om een ander moreel de loef af te steken, kunnen we er al meteen zeker van zijn dat hij of zij daarbij niet primair wordt bewogen door morele motieven. We kennen wat dit betreft het concept ‘schijnheiligheid’. Dit duidt van oudsher namelijk niet alleen de monnik aan die zich na onberispelijke novenen in het geniep met wijntje en trijntje vermaakt, maar daarnaast met name pastoor aan die zich na de mis volgiet in de dorpskroeg. Maar daarnaast juist ook iemand die zichzelf beter vindt dan een ander en op die ander neerkijkt, terwijl hij of zij doet alsof men bewogen wordt door hooggestemde idealen. De bekende Farizeeër uit het evangelie van Lukas, die blij is geen tollenaar te zijn.  

Een persoon die in morele zin voortreffelijk wil zijn, moet er dus paradoxaal genoeg automatisch juist niet naar streven om een ander te overtroeven in voortreffelijkheid!
Hoe staat het dan met zelfverwerkelijking? Dat ligt aan de definitie die je hanteert. Als je zelfverwerkelijking zo definieert dat het alleen ontplooiing in niet-morele zin omvat, dan heeft ook dit motief niets te maken met goedheid. Maar je kunt mededogen jegens anderen wel degelijk opvatten als iets dat onderdeel uitmaakt van zelfverwerkelijking, namelijk als dat deel ervan dat niet alleen neerkomt op het nastreven van het respectabele eigenbelang maar zich juist ook richt op het belang van anderen. Zo wordt dit begrip bijvoorbeeld gebruikt door Abraham Maslow, een van de grondleggers van de humanistische psychologie.
Om moreel beter te kunnen zijn dan een ander moet je er dus juist niet naar streven om beter te zijn dan die ander. De vraag of je beter bent, zou je in dit verband - anders dan de vraag of je integer bent, niet op de eerste plaats bezighouden. Dus dit ligt heel anders dan voor de atleet die als eerste de finish wil halen. 

Iedereen even goed

Ethische veganisten zijn in morele zin zeker beter dan niet-veganisten, mits ze echt ethische veganisten zijn en daarmee dus helemaal niet geïnteresseerd in de vraag of ze beter zijn of niet. Natuurlijk mag een ethisch veganist zeker blij zijn dat hij of zij zelf niet langer bijdraagt aan dierenleed, maar deze tevredenheid over het eigen handelen is iets heel anders dan primair gedreven worden door een farizeïsch soort ijdelheid waarbij men neerkijkt op anderen. Iemand die in morele zin beter is dan een ander is niet erg bekommerd om zijn eigen morele status tegenover die van anderen, maar wordt intrinsiek bewogen door een drang om anderen te beschermen en te verheffen. In feite wil zo iemand dus ook dat iedereen moreel gezien even goed wordt zodat men als logische consequentie daarvan uiteindelijk zelf juist niet beter meer zou zijn dan de rest. Ethische veganisten die in ultieme zin bewogen worden door de drang beter te zijn dan een ander, in plaats van door een verlangen om integer te zijn, kunnen conceptueel gezien dus niet eens bestaan. Het zouden namelijk geen authentieke ethische veganisten zijn! De farizeische veganist is een anti-veganistische karikatuur.

Met dank aan Marlies de Jonge