Artikel
Natuurbescherming versus dierenbescherming
door Titus Rivas
Inleiding
Toen walvispopulaties zich door jarenlange natuurbescherming hadden
hersteld, eigenden landen als Noorwegen en Japan zich het recht toe om opnieuw
op deze zeezoogdieren te jagen. In een andere context stelden biologen dat het
zeehondencentrum in Pieterburen maar beter kon sluiten omdat de zeehondenstand
genoeg op peil was gebracht en het daarom overbodig was geworden om zieke of
gewonde zeehonden te verzorgen. In beide gevallen hebben we kennelijk te maken
met interpretaties van natuurbescherming die haaks staan op de belangen van
individuele dieren.
De natuur bergt in de ogen van natuurbeschermers een intrinsieke waarde in
zich. De mens hoort daarbij de rol te spelen van een rentmeester. Hij moet
voorkomen dat de natuur verarmt, dat wil zeggen dat de natuurlijke rijkdom aan
plant- en diersoorten wordt aangetast door de menselijke cultuur. Daarbij beseft
men meestal wel dat het fenomeen ‘soort’ sinds de introductie van de
evolutietheorie van Charles Darwin minder bestendig lijkt dan daarvoor. Soorten
ontstaan volgens het darwinisme aanvankelijk als variaties binnen andere
soorten. De specifieke soorten vormen daarmee geen vaststaand gegeven binnen de
natuur. Behalve de primitiefste species, zijn ze er niet vanaf het begin geweest
maar ontstaan in de loop van een evolutieproces. Het uitsterven van plant- en
diersoorten is een volkomen natuurlijk gegeven dat al miljarden jaren lang een
rol speelt binnen de biologische evolutie. Evolutionair gezien minder
succesvolle variaties worden verdrongen en vaak ook helemaal vervangen door
succesvollere variaties. Bekende voorbeelden zijn uitgestorven prehistorische
dieren zoals de sabeltandtijger of de mammoet.
Als de biologische natuur daarom al ergens aan ‘hecht’ dan in ieder geval
niet aan het behoud van soorten, maar slechts aan het behoud van het leven in
het algemeen. Soorten worden keer op keer opgeofferd zodat het succes van het
biologische leven optimaal kan zijn. Zolang het leven het redt en zich
voortplant kunnen we in die zin al spreken van een natuurlijk evenwicht. Er is
daarbij dus helemaal geen sprake van natuurlijke getalsmatige verhoudingen
tussen verschillende dier- of plantensoorten. Dat komt omdat soorten ooit zijn
ontstaan in de loop van de natuurlijke historie, ze veranderen voortdurend en
wisselen dus ook in aantallen. Als dat niet zo was, kon er nooit ook maar een
enkele nieuwe soort ontstaan! De enige constante factor in de natuur is daarmee,
om met de I Tjing te spreken, de verandering.
Een realistische natuurbescherming die hier rekening mee houdt, streeft dan ook
niet naar het behoud van de willekeurige verhoudingen van het moment, maar naar
behoud van het grotere geheel zodat het biologisch leven optimaal wordt
beschermd. Met andere woorden naar het behoud van het zogeheten ecosysteem dat
alle plant- en diersoorten in relatie tot elkaar en tot hun omgeving omvat. Toch
streven natuurbeschermers wel degelijk ook naar het behoud van concrete soorten
binnen het ecosysteem. Dit komt voort uit een gevoel voor schoonheid, zowel de
uiterlijke schoonheid als de schoonheid van de gedragskenmerken van soorten.
Tegenwoordig komt daar onder invloed van mensen als Jane Goodall en Diane Fossey
ook steeds meer waardering voor de psychologische schoonheid van een bepaalde
diersoort bij.
Sommige natuurbeschermers hebben het over diersoorten alsof dit een soort
collectieve entiteiten zijn met objectieve belangen. Ze zijn oprecht van mening
dat het een kwestie van ethiek is dat een individueel dier soms opgeofferd moet
worden aan het collectieve heil van de soort. Opkomen voor de belangen van
afzonderlijke dieren wanneer die ten koste gaan van de belangen van de soort, is
in hun ogen dan ook regelrecht immoreel. Dit collectivistische standpunt moet
niet verward worden met het waarschijnlijk veel wijder verbreide esthetische
standpunt.
Samengevat worden natuurbeschermers zowel gedreven door biologische zorg om het
leven in het algemeen als door esthetische belangstelling voor afzonderlijke
plant- en diersoorten en in sommige gevallen ook nog door ethische bezorgdheid
om het veronderstelde collectieve heil van die soorten.
Natuurbescherming in botsing met dierenbescherming
Natuurbescherming en dierenbescherming worden door buitenstaanders nog wel
eens met elkaar verward. Volkomen ten onrechte, omdat natuurbeschermers vaak
niet bijzonder bekommerd zijn om het welzijn van individuele dieren.
Natuurbeschermers kunnen zich bijvoorbeeld ergeren aan het redden van dieren die
niet bedreigd zijn in hun overleven als soort. Men vindt dit soort acties
dikwijls overdreven sentimenteel en zelfs in strijd met de natuurlijke orde. Ook
dierentuinen met hun fokprogramma's, waarbij soms over de grenzen van
individuele dieren heen wordt gegaan, komen voor een deel voort uit de
natuurbeschermingsgedachte. Voorstanders van stierenvechten wijzen op het belang
van het voortzetten van dit ‘edele feest’ voor het behoud van de Spaanse ‘toros
bravos’ oftewel vechtstieren. Het ‘oogsten’ van wilde zwijnen en
andere wilde diersoorten is volledig verdedigbaar binnen de ideologie van de
natuurbescherming zolang dit de soorten in kwestie en het ecosysteem als geheel
niet bedreigt. Hierdoor zien sommigen jagers en natuurbeschermers zelfs als
bondgenoten, omdat jagers belang hebben bij het bevorderen van een goede
wildstand.
Ecocentrisme en esthetische overwegingen kunnen dus geregeld in conflict raken
met een ethiek die voortkomt uit het opkomen van rechten van individuele dieren.
Wat voor een natuurbescherming zou nou wel verenigbaar zijn met
dierenbescherming? Ik denk dat we toe moeten naar een natuurbescherming die
zowel het ecologisch evenwicht en de rijkdom aan soorten als juist ook het
belang van individuele dieren probeert te beschermen. En die daarbij in
twijfelgevallen het belang van individuele dieren laat prevaleren, ook al omdat
soorten als collectieve entiteiten helemaal geen gevoelens en belangen kunnen
kennen, omdat ze slechts als abstracties bestaan. In Nederland kennen we wat dat
betreft de Faunabescherming. Een opvatting van natuurbescherming die
dierenbescherming vooropstelt, zorgt bijvoorbeeld voor alternatieven voor de
jacht en vangt individuele dieren ook dan op wanneer dat van geen enkel belang
is voor de soort. Als gewone natuurbeschermers geen begrip opbrengen voor de
belangstelling voor leden van onbedreigde diersoorten, achten zij in feite
esthetische overwegingen belangrijker dan ethische.