Vleesopvolgers (‘vleesvervangers’) zijn producten die vleesproducten imiteren. Ze zijn soms gemaakt van seitan zoals mock duck/pork of soja. Maar vaak zijn het gehele nieuwe producten die qua uiterlijk, smaak en beleving een imitatie van een vleesproduct nastreven.

Deze producten zijn vooral bedoeld voor wie de ervaring van een vleesproduct in de maaltijd mist. Tempeh en tofu zijn in principe geen vleesopvolgers, maar worden wel vaak gebruikt in plaats van vlees. Naast vleesopvolgers zijn er ook andere eiwitbronnen.1,5

Vleesopvolgers zijn in veel supermarkten, biologische winkels en Aziatische toko’s te koop. Ook zijn er vegan/vegetarische webwinkels die een heel groot assortiment aan vleesopvolgers hebben.

Zijn vleesopvolgers gezond?

De Consumentenbond geeft aan: “De meeste vleesvervangers zijn een goed alternatief voor vleesproducten. Vooral de soorten die op basis van soja gemaakt zijn. Vleesopvolgers bevatten vaak veel eiwitten. Ook zijn de belangrijkste vitaminen en mineralen die je normaal gesproken via vlees binnenkrijgt, in veel gevallen toegevoegd. Uit onderzoek blijkt dat deze stofjes TMAO en LDL die het risico op hart- en vaatziekten verhogen, significant minder aanwezig zijn in plantaardige vleesopvolgers ten opzichte van vlees gemakt van dieren.[6] Aan de andere kant bevatten sommige vleesopvolgers wel veel zout.”2 Het Voedingscentrum raadt aan bij vleesopvolgers erop te letten dat het product minder dan 1,1 gram zout heeft per 100 gram. Het Voedingscentrum ziet vlees en vleesopvolgers als producten die wekelijks gegeten worden, niet dagelijks. Een gezonde keuze is om vooral te kiezen voor peulvruchten zoals bonen, kikkererwten en linzen als eiwitbron. Wie voor het gezondste plantaardige dieet gaat, kiest voor onbewerkt plantaardig.

Zijn vleesopvolgers duurder?

Vleesopvolgers hebben een concurrerende prijs in vergelijking met biologisch geproduceerd vlees. Op het eerste gezicht is het vreemd dat vleesopvolgers vaak duurder zijn. Voor de productie van één hamburger is ongeveer zes maal zoveel soja en tarwe nodig als voor één plantaardige hamburger. Toch maken de grondstoffen slechts een klein deel uit van de totale kosten. Verder kunnen ‘vee’-houders de productiekosten van vlees laag houden door de ontvangst van subsidies voor veeteelt, grootschaligheid en het houden van vele dieren op kleine oppervlakten.

De markt voor vleesopvolgers is daarentegen een stuk kleiner dan die van vlees van dieren. Daardoor kunnen de administratie- en marketingkosten over een kleinere productie worden uitgesmeerd. Daarnaast zijn kopers van vleesopvolgers over het algemeen bereid om een hogere prijs te betalen voor het product, en komen er weinig kopers bij als de prijs verlaagd wordt.3