Veganisme is goed voor de medemens. Het biedt een oplossing voor het wereldvoedselprobleem, verlaagt de kans dat bacteriën resistent worden tegen antibiotica en verminderd de kans op pandemieën zoals Covid-19 drastisch.

Veganisme als antwoord op het wereldvoedselprobleem

Een kwart van alle gewassen die wereldwijd verbouwd worden verdwijnt direct in de maag van dieren. Dit komt neer op de helft van alle plantaardige proteïnen en meer dan een derde van alle geproduceerde calorieën. Het gevolg is: hogere internationale voedselprijzen en nadelige gevolgen voor de armste mensen, die toch veelal weinig dierlijke producten eten.

Om een indruk te geven: meer dan 70% van alle landbouwgrond wereldwijd wordt gebruikt voor ‘veeteelt’. Gemiddeld is er voor 1 kg vlees, 7 kilo plantaardig voer nodig (zoals soja, mais en granen). Het is vele malen efficiënter om het dier uit de voedselketen te halen. Zo kunnen we landbouwgrond inzetten voor plantaardige voedselproductie. Door vegan te leven, lever je een enorme bijdrage aan de oplossing van het wereldvoedselprobleem.

Veganisme als antwoord op antibiotica-resistentie

Alle mensen dragen bacteriën bij zich. De meesten zijn nuttig voor ons. Ze helpen bijvoorbeeld om ons voedsel te verteren. Van sommige bacteriën kunnen we echter ziek worden. Voorbeelden van bacteriële infecties zijn longontsteking, blaasontsteking en seksueel overdraagbare aandoeningen. Antibiotica worden gebruikt bij het bestrijden van dit soort infecties (ontstekingen). Ze helpen het lichaam om te genezen door het doden van bacteriën of afremmen van hun groei.

Een belangrijk nadeel van antibiotica is dat bacteriën er ongevoelig (resistent) voor kunnen worden. Een bacterie die resistent is tegen een bepaald antibioticum zal er niet door gedood worden. Door overmatig of verkeerd gebruik van antibiotica ontstaan steeds weer bacteriën die tegen één of meerdere antibiotica resistent zijn. Deze bacteriën planten zich voort en vormen zo een gevaar voor de volksgezondheid. Bekende voorbeelden zijn ‘ziekenhuisbacteriën’ zoals de MRSA-bacterie en EHEC-bacteriën (E.coli of ‘poep’-bacterie).

Antibiotica voor gezonde dieren

Dierenartsen schrijven ook antibiotica voor, en dan met name voor dieren die door mensen gehouden worden. De meeste van deze antibiotica wordt niet aan zieke dieren gegeven, maar aan dieren die gezond zijn. In de Verenigde Staten wordt bijvoorbeeld 80% van alle antibiotica aan dit soort dieren gegeven. Ook in Nederland ligt dit percentage hoog. Het is gebruikelijk om antibiotica te mengen met voer. Dit voorkomt ziektes en bevordert de groei. Het gebruik van antibiotica bij niet-menselijke dieren speelt een grote rol bij het ontstaan van antibiotica-resistente micro-organismen. Antibiotica-resistentie is het hoogst bij dieren die voor de ‘vleesproductie’ worden gehouden. Het hoogste niveau van resistentie doet zich voor bij ‘vleeskuikens’. Een van de bacteriën die deze resistentie hebben ontwikkeld, is de algemene darmbacterie E. coli. Dit is in essentie een “goedaardige” darmbacterie die op de verkeerde plaatsen in het lichaam wel degelijk een groot gevaar kunnen opleveren.

Risico’s

Sinds 2006 is het in de EU verboden om antibiotica gebruiken voor de bevordering van groei. De Nederlandse overheid wil het gebruik van antibiotica in de ‘vee’-industrie beperken, maar in de praktijk is het gebruik nog steeds erg hoog. Het gebruik van antibiotica in de ‘veehouderij’ brengt zowel een direct als een indirect risico met zich mee voor de volksgezondheid. Een direct risico is resistentie van bacteriën die via voedsel, direct contact of het milieu overdraagbaar zijn naar de consument en waarvan deze ziek kan worden. Daarnaast is antibiotica-resistentie problematisch, omdat er een risico bestaat dat een infectieziekte niet meer met antibiotica te behandelen is.2

Verder lezen

Bronnen

  1. Bajželj e.a., Importance of food-demand management for climate mitigation (2014)
  2. Antibioticagebruik in de veehouderij – Compendium voor de Leefomgeving. Bekeken op 21 november 2015.